Door: Louwerens-Jan Nederlof
Er zijn in Sliedrecht maar weinig naaldbomen. Dit heeft alles te maken met de vochtige, koude kleigrond waarmee het merendeel van onze gemeente is opgeworpen.
Dat belooft niet veel goeds voor bomen die zich van nature hebben aangepast op vaak zandige, voedselarme omstandigheden zoals berghellingen en zandgronden.
Het is niet zo verwonderlijk dat hier geen kerstbomen worden gekweekt of hakhout voor potloden word verbouwd. De naalbomen doen het gewoon niet op deze grond.
Naaldbomen vormen dus niet alleen een buitenbeentje in deze rubriek, ook in de natuur nemen ze ook een aparte plaats in.
Naaldbomen zijn in tegenstelling tot ‘bladbomen’ of loofbomen, zomer en winter groenblijvend. Alleen de lariks en schijnlariks laten jaarlijks al hun naalden vallen. Naaldbomen groeien vaak in gebieden waar de sneeuw een groot deel van het jaar blijft liggen. De naalden van de bomen zijn eigenlijk zeer smalle blaadjes, die niet snel zullen bevriezen of uitdrogen door hun betrekkelijk kleine oppervlak.
De aanmaak van suikers en voedingsstoffen kan ook na een sneeuwbui en met een winterszonnetje worden voortgezet. Op deze manier verwerft de plant voldoende energie om later kegels te vormen.
Voor de bestuiving hebben de naaldbomen geen vogels of insecten nodig. De ouderwetse manier van ‘bestuiving met behulp van de wind’ voldoet nog altijd.
Het is dan wel zaak voor mannelijke bomen om zoveel mogelijk stuifmeel te produceren. Des te meer kans dat het een vrouwelijke kegel ontmoet. In het voorjaar zijn de vrouwelijke kegels klein en meestal paars gekleurd. De schubben laten openingen vrij waardoor het stuifmeel van de mannelijke bomen door de lucht kan worden aangevoerd.
Naaldbomen zijn bijna altijd ook coniferen. Conifeer is een afgeleide betekenis van het Griekse ‘conus’ dat kegel en ‘fera’ dat drager betekent.
Bij de Gereformeerde kerk, op de hoek van de Oranjestraat en de Middeldiepstraat, staat wel de opvallendste conifeer van Sliedrecht. Het is een prachtige blauwe Atlasceder (Cedrus atlantica ‘Glauca’). Een boom van ruim vijftig jaar oud met een hoogte van over de twintig meter. Atlasceders worden wel eens in tuintjes aangeplant, maar worden daar al snel te groot. Daarom is het zo leuk om een wat groter exemplaar te bekijken. De stam heeft een paar opvallende littekens, waar vroeger een tak is uitgezaagd of afgewaaid.
De Atlasceder komt in het wild voor in het Atlasgebergte van noord Afrika. Verwante soorten groeien in de Libanon en aangrenzende bergen, de Himalaya en op Cyprus. ‘Ceder’ is afgeleid van het Griekse woord ‘kedros’, waarmee de oude plantenliefhebbers de geurige houtsoort van de boom aanduiden.
Het zoetgeurige hout bevat een vluchtige olie.
Sommige wetenschappers vegen alle soorten ceders van de verschillende gebergten bij elkaar tot een soort met verschillende verschijningsvormen. Zo lijkt de Atlasceder bij de kerk erg veel op een Libanonceder.
De tempel van koning Salomo is volgens de bijbel uit het hout van deze naaldboom opgebouwd. Een prachtige combinatie van kerk en ceder, maar waarschijnlijk is het toeval om het verband tussen beiden te zien.
De ceders hebben het in de vrije natuur zwaar te verduren. Door de toenemende vraag van het gewilde hout zijn veel cederbossen op de berghellingen verdwenen. In Sliedrecht zal het zo’n vaart niet lopen.
Het zo begeerde hout van die ene Atlasceder, die natuurlijk te groot werd, ligt in het milieupark van de gemeentewerf. Het ziet er naar uit dat de bijzondere naaldboom van de kerk nog wel een paar jaar mee zal gaan.
Dit alles zonder dat buren en dakgoten overlast ondervinden van het afgevallen blad. Helaas is de boom te hoog om met kerst eens van een bescheiden kerstlichtje te voorzien.
Ook dat past wel bij deze bijzondere kegeldrager....