Door: Louwerens-Jan Nederlof
Het moet een beetje vreemd gezicht zijn geweest voor de Sliedrechters die mooi rechte wilgenbomen waren gewend. In de plantsoenen verschenen opeens wilgen die hun takken om lieten buigen en waarvan de twijgen en bladeren als slappe sliertjes afhangen.
Nee, deze wilgen waren niet ziek! De Treurwilgen (Salix alba 'Tristis') zijn expres zo gekweekt. Niet voor hun gebruikswaarde maar puur voor de sier.
Nee, het wilgenhout waarvan men klompen, manden, zinkstukken en gereedschapsstelen maakt komt wel van de verwante soorten waarvan er in Nederland wel veertig voorkomen.
De treurwilgen staan prachtig langs singels en vijvers. Vooral als ze goed uitgroeien tot bomen met een hoogte van meer dan twintig meter en met kronen met een doorsnede van 10 meter.
Op begraafplaatsen lijken zij door hun gestalte te treuren en zorgen zij voor een zekere rust in een dergelijke omgeving.
In Sliedrecht zijn heel wat treurwilgen te vinden. Langs de singel van de algemene begraafplaats en in de Prickwaert zijn heel wat jonge bomen te vinden. Dat is ook niet zo verwonderlijk want de wilgen groeien bijna op alle plaatsen zonder problemen.
Wilgen zijn bomen die snel groeien, tegen water en nattigheid kunnen en zich op allerlei manieren handhaven. Zelfs omgewaaide bomen kruipen weer overeind door een nieuwe hoofdstam aan te maken.
Andere bomen hebben onder die omstandigheden allang het loodje gelegd, maar de wilgen blijven 'ge-willig' in het gareel.
Hoe dan ook, wilgen planten lukt altijd en het kan overal waar je wilt.
Stekken uitdelen van een wilg is al evenmin een probleem. Een tweejarige tak is daarvoor het meest geschikt. In de herfst steekt men de stek een halve meter meter in de grond en in het voorjaar daarop loopt het boompje prima uit.
Zes jaar later staat er al een heuse wilg. Bij wilgen kunnen zelfs alle takken worden afgezaagd. De bomen lopen bij de afgezaagde stobben opnieuw uit en zo ontstaat in de loop der jaren de bekende vorm van een knotwilg.
Knotwilgen moeten iedere vier jaar van hun takkenlast ontdaan worden. Bij de hele oude knotwilgen vermolmd het zachte kernhout, alleen het spinthout met de sapstromen blijft als een dunne wand overeind.
Als dat niet gebeurt wordt de takkenlast te zwaar en worden de bomen vatbaar voor ziektes of vallen om. Wilgen groeien snel maar worden niet erg oud.
Tachtig jaar is wel een maximum. Wilgen zijn niet alleen zo bijzonder omdat ze zich aan alles kunnen aanpassen, ze bieden ook nog eens plaats aan vele soorten insekten.
Er kunnen in een wilg wel 450 soorten insekten wonen! Bovendien kunnen in oude wilgen ook varens en vlierstruiken groeien.
Vogels bouwen hun nesten in de takken of in de beschutting van de knotstoven. Uilen en vleermuizen vinden in de holle stam een rustplaats.
Al die eigenschappen maken de wilg tot een fleurig bolwerk voor talloze planten en dieren. Bij de mens heeft wilg haar verdienste ook wel bewezen.
Wellicht is de komst van de treurwilg in de buurt van een café in het centrum geen toeval. Mensen met hoofdpijn kunnen op de bast van een wilgenhoutje bijten.
Een takje van de treurwilg bevat namelijk aspirine! Uit de chemische naam voor aspirine -acetylsalicylzuur- is nog steeds duidelijk af te leiden dat het middel zijn oorsprong vindt in de Salix.