Door: Louwerens-Jan Nederlof
Het is meestal niet zo netjes, om zomaar brutaal in iemands tuin te staren. Je weet namelijk nooit wat je er aan treft en al helemaal niet of het gezien mag worden.
Maar voor de tuin van het Nationaal Baggermuseum aan de Molendijk kun je best een uitzondering maken. Tenminste, als je naast de historie over een oude beroepstak ook interesse voor bomen hebt.
De tuin is al meer dan honderd jaar oud en is in vroeger tijden het woonhuis geweest van de familie Volker. Nu nog een bekende naam in de baggerwereld. De baggerindustrie heeft in nauwelijks een eeuw tijd stormachtige ontwikkelingen meegemaakt.
Van die ontwikkelingen getuigt het museum. Er staan nogal wat ‘stokoude’ reuzen, die al vanaf de dijk opvallen. De tuin maakt gelukkig nog wel de indruk dat de ontwikkelingen van de laatste honderd jaar aan haar voorbij zijn gegaan.
Maar schijn bedriegt. De drie veldesdoorns (Acer campestre) en de Plataan (Platanus acerifolia) staan langs het lange gietijzeren hekwerk in de bocht van de dijk, maken dat het lijkt alsof je een piepklein stukje door een bos fietst.
Wie met de auto de tuin passeert moet het liefst maar op het verkeer letten, de bocht is wellicht te scherp om eens even stil te staan bij de leuke bomen.
De fraaie plataan torent vele meters boven het voormalige woonhuis uit. Vlak naast haar, bijna tegen de snijkop van een cutterzuiger, groeit een fluweel- of azijnboom (Rhus typhina). Hij bloeit prachtig in juni en juli met prachtig donkerrode vrouwelijke bloempluimen.
De bladeren van deze boom zijn geveerd en takken en twijgen hebben een dichte, fluweelzachte, beharing. Het witte melksap is giftig, niet aanzitten dus.
De veldesdoorns van ruim 25 meter hoog, schermen het markante koetshuis een beetje af. Om hun stam liggen diverse ankers en attributen uit een grijs verleden.
Of in ieder geval typische zaken die niet in een vitrine kunnen liggen.
Voor wie tijd heeft om het museum te bezoeken of eens verder wil kijken, maak kennis met de enorme witte paardekastanje (Aescules hippocastanum) midden op het grasveld.
De boom heeft zware armen en het lijkt wel of ze moeite heeft met het torsen van de zware takkenlast. De stam is gegroefd en vol met littekens van jaren her.
Ongetwijfeld heeft deze boom ooit kennis gemaakt met de bewoners, misschien is zij wel door hen aangeplant.
Helaas staat de tijd in zo’n fraaie bomentuin niet stil. Hoewel de bomen stuk voor stuk erg groot zijn en er voor het gevoel al eeuwen staan heeft de tuin toch zware verliezen in het bomenbestand gekend.
De resten van de rode beuk (Fagus sylvatica “purpurea’), die ooit op de plaats van de uitbreiding van het museum stond ligt nu langzaam te rotten op de kinderboerderij.
In het voorjaar van 2000 is ook de hemelboom (Ailanthus altissima) letterlijk door ziekte geveld. De takken zullen nooit meer tot de hemel reiken, een eigenschap waaraan de boom haar soortsnaam heeft te danken.
Dat is niet alleen een verlies voor de beheerder van de tuin, maar ook voor de Bomenstichting, die hiermee een aantal belangrijke monumenten voor de omgeving verloor.
Grote bomen zijn ook om andere reden op onze kleigronden een zeldzaam verschijnsel. De betrekkelijk slappe bodem maakt dat de boom door haar eigen gewicht op den duur bezwijkt, lang niet altijd een optimale groei kan genieten en een recordleeftijd kan halen.
We moeten lijdzaam toezien dat ook de bomen van het baggermuseum op den duur gewoon door ouderdom zullen verdwijnen, al dan niet een handje geholpen door (verstandig) menselijk ingrijpen.
Het siert dat er over haast alle zaken musea en kabinetten bestaan. Kantklossen, spoorwegmodelbouw, legervoertuigen, postzegels en munten en schaapskooien.
Is er ook een museum voor oude bomen? Ik weet nog wel iets voor de vitrine....