Door: Louwerens-Jan Nederlof
Als Nederland niet door mensenhanden was bewerkt en gevormd, dan was ons land bedekt met een bos van beuken en eiken.
Op enkele plaatsen zal heus nog wel een stukje duin of moeras te vinden zijn, maar echt, voor het grootste deel was het begroeid met deze bomen.
Toen Nederland na de laatste ijstijd begon te ontdooien, verscheen de eik zon 7000 v. Chr. Er waren ook wel andere bomen, maar op de vochtige en voedselrijke plaatsen nam de eik al snel een dominante positie in en vormde het eindbeeld van onze eerste bossen.
Wanneer de eerste eik in Sliedrecht verscheen, valt niet met zekerheid te zeggen. Her en der staan wel een aantal exemplaren, maar die stammen zeker niet uit de ijstijd. Eiken zijn er in allerlei soorten en maten.
Je hebt de wintergroene en zomergroene eiken, eiken die in bossen thuishoren en soorten die meer op steppen en grasvlakten gesteld zijn. De bolvormige tot langwerpig-eivormige vruchten staan bekend als eikels.
Ze zijn rijp in het midden van de herfst. In Nederland zijn twee soorten inheems; de wintereik (Quercus petrea) en de zomereik (Quercus robur).
De zomereik treft men vooral aan op voedselrijke gronden. In het Dreespark en in een aantal particuliere tuinen treffen we deze soort ook in onze woonplaats aan.
Voor wie een bos van deze bomen wil zien moet maar eens een kijkje nemen in het Alblasserbos. De eiken zullen hier uiteindelijk een kunstmatig eindbeeld vormen van een bos zoals dat ook via natuurlijke weg zou zijn onstaan.
Natuurlijk plant de natuur de eiken niet in strakke rijen, maar naarmate het bos ouder zal worden zal dat eentonige beeld snel verdwijnen.

In de herfst is deze exoot getooid met vuurrode bladeren een kondigt daarmee feestelijk de herfst aan. Hij lijkt een beetje op de wintereik en heeft ook een lange bladsteel, maar de lobben eindigen niet rond, zoals bij de wintereik, maar spits.
Bovendien zijn de bladeren van een Amerikaanse eik veel groter dan van de wintereik.
Eiken hebben een ruwe, vrij voedselarme en zeer zure schors. De schors bevat tanine of looizuur voor het looien van dierenhuiden en de fabricage van inkt. Het looizuur zorgt ook voor een aparte aan wijn of cognac wanneer deze zijn opgeslagen in eikenhouten vaten.
Eiken herbergen een rijk gevarieerd insektenleven. Zo zijn er meer dan veertig soorten insekten bekend, die bij de eik gallen kunnen veroorzaken. Gallen zijn woekeringen op de bladeren van planten die veroorzaakt zijn door het toedoen van vooral sluipwespen.
Deze miniscule wespjes leggen hun eitjes in de nerven van een eikenblad. Het larfje scheidt een soort groeihormoon uit, dat ervoor zorgt dat het blad cellen gaat produceren. De celwoekering vormt het voedsel voor de jonge sluipwesp en biedt tevens een goede bescherming voor vijanden, die een galappel niet snel als iets eetbaars zullen herkennen.
Het is een leuke vrijetijdsbesteding om de eik in uw buurt eens af te zoeken op de hoeveelheid verschillende gallen die daarop voor kunnen komen.
U kunt beginnen om het rijtje Hongaarse eiken (Quercus frainetto) langs de Deltalaan eens af te zoeken. Het zijn werkelijk fraaie bomen van een jaar of twintig met frisgroen, groot, glanzend blad.
De bovenzijde is glimmend donkergroen en de onderzijde lichtgroen, een belangrijk kenmerk van deze uitheemse soort.
Schud maar eens voorzichtig met de takken van een fraaie eik, alsof u iemand feliciteert, en geniet van een regen van sluipwespen, eikespringsnuittorren, eikelboorders, eikebladrollers en eikesigaremaker en gallen.
Tegen al deze versieringen kan geen kerstboom op, maar daarover meer in een volgende aflevering.